Wat kan je met Jezus’ lijden en het lijden van Aylen? (preek 6 september 2015)

preek 15 09 06In de afgelopen week werd op ieders netvlies een foto gebrand, die op kranten, tv en sociale media veelvuldig werd getoond. Die foto van dat jongetje van drie jaar, dat aanspoelde op het Turkse strand. Uren daarvoor was hij met zijn ouders juist daar vandaan vertrokken. Op zoek naar een toekomst, een nieuw leven, in Europa. Met de fotograaf zijn we allemaal om dat jongetje heengelopen. We konden hem van verschillende kanten zien liggen. Of we bleven op een afstandje staan. Stokstijf. Of met de blik wat afgewend. Wil en kan ik dit wel zien?

Wie zeggen de mensen dat hij is? Gelukkig kreeg het jongetje een naam. Anders dan de vele andere boot- en landvluchtelingen die anoniem blijven. Hij heette Aylan. Mensen zien in hem hun eigen kind, zoals iemand dat noemde. Mensen noemen hem de zoon van een doodongelukkige vader, die niet alleen Aylan, maar ook zijn oudere broertje en hun moeder verloor. En mensen noemen hem een gelukszoeker, een zoon van onverantwoorde ouders die met zulke kleine kinderen zo’n gevaarlijke reis maken.

Kunnen wij om zijn lijden heen?

Wie zeggen de mensen dat hij is? Kunnen wij om zijn lijden heen? Kunnen wij hem begrijpen als we zijn lijden niet zien? Kunnen we hem begrijpen als we onze tranen inslikken bij het zien van zo’n gaaf lijfje? Kunnen we hem begrijpen als we niet breken met ons wereldbeeld, waarin we alles goed voor elkaar hebben en de ellende buitenhouden? Kunnen we hem begrijpen als we voorbijgaan aan de wanhoop van een jong gezin, en hoop, door al hun lijden heen? Kunnen we om zijn lijden heen? Kunnen wij hem begrijpen als we zijn lijden niet zien? En kunnen wij hem begrijpen als we niet ook zelf ons kruis op ons nemen?

Of wij zien wie ze zijn bepaalt hoe we met vluchtelingen omgaan

Onze houding ten opzichte van vluchtelingen staat of valt ermee of wij verstaan wie dit jongetje is. Wanneer wij slechts proberen te verzachten en alles en iedereen maar proberen te helpen, dan sussen we ons eigen geweten met goedbedoelde vrijwilligheid. En ligt er morgen weer een dood kind, waarover we ons kunnen ontfermen. Dan zullen we het verliezen in dat we nooit genoeg zullen kunnen doen. Wanneer we verharden, zal het ons steeds meer gaan tegenstaan, zal het ons nog meer overspoelen en zullen we het op die manier verliezen en eraan onderdoor gaan. Onze houding ten opzichte van vluchtelingen staat of valt met het verstaan van wie dit jongetje is. Door het lijden te zien van deze zoon van mensen, dit mensenkind.

Jezus, zoon van mensen – wie zeg jij dat hij is?

Zoon van mensen. Zo noemt Jezus zichzelf als hij zelf antwoord geeft op zijn vraag wie de mensen zeggen dat hij is. Die vraag, wie de mensen zeggen dat hij is, vormt het scharnierpunt in het Evangelie zoals Markus dat vertelt. Alle wonderen, confrontaties en andere verhalen lopen hierop uit. Wie is Jezus nou? Vaak heeft hij mensen belemmerd om iets door te vertellen van wat hij deed of zei. En bij zijn genezingen nam hij mensen apart. Hij leek het podium te schuwen als het erop aankwam. Alsof hij wil dat mensen eerst goed nadenken. Wie zeg jij dat ik ben?

De leerlingen antwoorden wie de mensen zeggen dat Jezus is: Johannes de Doper, Elia, één van de profeten. Goed dat ze zo antwoorden. Ze antwoorden gelukkig niet wát hij is: een held, een ster, of hoe je dat ook zou willen noemen, in de taal van toen: een koning? Nee, ze verstaan Jezus gelukkig in een geestelijk licht: als een voortzetting van de profetie. Handelaar in woorden van God. In woord en daad.

Messias?

En dan wordt het spannend. Wie zeggen jullie dat ik ben? En Petrus neemt het woord en zegt: U bent de Messias. Niet eens ‘een’ messias, nee, dé Messias. Dat is niet echt een antwoord op de vraag wíe Jezus is, want Messias, gezalfde, Christus, was toen nog geen eigennaam. Het is wel Jezus merknaam geworden naderhand, maar het was eerst een soortnaam. Een gezalfde. En daarbij werd in eerste instantie aan een koning gedacht, die werden gezalfd, en niet aan een profeet.

Wij zijn geneigd om met de kennis van nu te zeggen: Petrus sloeg toch de spijker op z’n kop? Ja, nu wij Jezus de Messias, Christus, noemen zou je wel zeggen dat dat één op één klopt. Hij gaf het goede antwoord, tien punten! Maar met de kennis van nu vervaagt de situatie van toen. Dat is vaak zo met kennis van nu. Het is meestal gelijk achteraf. Wat kón Petrus toen weten? En wat had hij voor ogen toen hij dat zei? Is het woord Messias niet veel breder gebleken, dan Petrus kon vermoeden? En had Petrus niet vooral het koninklijke op het oog, waarbij je je af kunt vragen of hij eigenlijk wel aandurfde wie Jezus nog meer was? Was het benoemen van Jezus als de Messias niet een hele veilige keuze van Petrus, een veilig etiket op Jezus als onze koninklijke redder, waarbij hij veilig is en niets meer hoeft te doen?

Waarom moet de Messias lijden?

Was dat de reden dat Jezus zijn leerlingen scherp verbood om iets over dat Messiasschap te zeggen tegen anderen? Omdat ze niet wisten waar ze het over hadden? Of misschien juist omdat hij hen wilde beschermen? Er staat immers nergens dat hij hen bestrafte. Dat komt straks pas. Het zou goed kunnen dat Jezus het gevoel had dat hij hen nog onvoldoende had toegerust en nog onvoldoende had uitgelegd wie hij was om over hem te kunnen spreken. En dus begint hij het hen uit te leggen.

En hij noemt zich niet de Messias, maar de Mensenzoon. Hij gaat daarmee niet boven ons staan, maar komt tussen ons in staan. Een kind van de mensen. Maar als hij dat wil zijn, dan komt hij erg dichtbij. Net zoals die foto van Aylan heel dichtbij komt. We houden mensen die ervoor zorgen dat wij iets moeten graag op een afstand. Maar Jezus komt niet alleen dichterbij, hij komt midden tussen ons in staan. Hij noemt zich Mensenzoon. Hij komt onder ons staan. En dus moeten we iets met hem. Net zoals we iets met die foto moeten, of we nu willen of niet.

Waarom kost het me iets om Jezus te volgen?

Jezus komt zo dichtbij dat we iets met hem moeten. Maar de mensen die alles zo mooi onder controle hebben, moeten hem niet. Want hij gooit roet in hun eten. De oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden lopen tegen hem te hoop. En zij vertegenwoordigen juist wat een Messias zou moeten zijn: koning, priester en profeet. De oudsten vertegenwoordigen het koninklijke, de hogepriesters het priesterlijke en de schriftgeleerden het profetische. Jezus laat hen zien dat hun ambt hen niet iets oplevert, maar dat het hen iets kost. Daar zijn al die zinnen over jezelf verloochenen en je kruis opnemen en achter Jezus aankomen om bedoeld. Niet om het simpele ‘ieder huisje heeft zijn kruisje’, maar om iets anders: dat het volgen van Jezus je iets kost, voordat het je wat oplevert.

Waarom zou je Jezus dan volgen? Omdat een andere weg sowieso niets oplevert. Of we verzachten alles en komen nooit aan het lijden toe dat zich zo opdringt, maar dat we niet willen zien. Waardoor we gaan zorgen met zoveel mogelijk goedbedoelde inzet dat we er niets van zien. Je zou er nog overspannen van raken. Of we verharden, en dan breken we sowieso zo door al het geweld van het lijden.

Nogmaals: moest Jezus zo lijden?

Jezus gaat tekeer tegen Petrus precies hierom. Petrus neemt het op voor alle mensen die het lijden niet willen zien en het wel goed vinden zo. Jezus noemt hem Satan, wat niet meer betekent dan ‘Tegenstander’. Hij noemt hem geen duivel, maar tegenstander. Jezus’ missie is zinloos als hij niet dwars door het lijden heen gaat. Kon het niet anders, wat vrolijker? Er wordt dan altijd naar God gewezen: moest Jezus nu zo lijden? Van God? Maar een oude wijsheid van Gandhi vertelt dat wie met één vinger naar een ander wijst, met vier vingers naar zichzelf wijst. Moest Jezus nu zo lijden? Kijk maar in de krant. En zie de foto van Aylen. Kennelijk wel dus.

Om voor ons de weg vrij te maken naar het leven, moest Jezus met ons meegaan in óns lijden. Hij kan niet anders. Maar willen wij hem daarin kunnen volgen, dan moeten wij onze ogen niet sluiten. En moeten we zien dat die weg naar het leven ons iets kost. En dat er geen oplossingen zijn voor het lijden die ons niets kosten. Ook voor de problematiek van de vluchtelingen niet. Dat kunnen we niet leuk vinden, en dat is het ook niet. En het zet van alles op zijn kop. Maar we zullen er wat voor moeten inleveren.

Wat als het er echt op aan komt?

Nu reageren zoveel mensen dat ze gastgezin willen zijn en zich in willen zetten. En dat is fantastisch. En hoe triest ook: dat is een besef dat ook ontstaan is door die foto van Aylen. Maar ik wacht op het moment dat ze werkelijk voor onze deuren staan. Of in de oude Oranjeschool hierachter opgevangen worden. Bijvoorbeeld. Hoe ver gaan we dan? En hoever laten wij hun lijden toe in ons leven? Dat we er niet zijn met dekens en kleding die we over hebben. Maar dat we werkelijk ons leven moeten delen, ook met hen. Hoe lang ze hier ook kunnen en mogen zijn. Hebben wij een boodschap aan hen? En betalen we daarvoor de prijs die het vraagt?

Dan zullen we de stemming ineens niet meer mee hebben. Dan wordt het lastig. Dan staan we tussen de zachtliners en hardliners in. En roepen ze: en wat willen jullie nou? En dan is er alleen maar die foto en kun je zeggen: heb je werkelijk gezien, echt gezíen, wie dat is?

Doe je mee?

Wie zeggen de mensen dat ik ben? Wie zeg jij dat hij is, Jezus? En wil je van je woorden je daden maken? Dat betekent het lijden zien, in het geloof dat het daar niet bij blijft. Dat Jezus is opgestaan. Maar dat dat wel wat kost. Omdat er elke dag weer mensen lijden. Maar dat dat zien de enige weg is naar nieuw leven, die Jezus ons is voorgegaan, en die Aylen is achteraangegaan. Net als vele andere naamloos gestorven, verdronken, vervolgde en omgekomen mensen. Willen wij hen volgen naar nieuw leven, dan kan dat alleen maar door hun lijden heen. Doe je mee?

Geef een reactie