Ruth 2 vers 12, preek ds. Bert van der Linden 08-11-2015

Ruth 2 lijkt op een romantische passage uit mooie streekroman..

De preek in de oogstdienst gaat over de ontmoeting tussen de vreemdelinge en asielzoekster Ruth en de wetsgetrouwe Jood Boaz (Ruth 2). Het verhaal heeft veel weg van een passage uit een streekroman. We sluiten ons aan bij de Joodse traditie, die het Bijbelboek Ruth rekent tot de feestrollen. Israël leest dit verhaal tijdens het wekenfeest. Dit jaar was dat eind mei. Tijdens het wekenfeest of in het Hebreeuws Sjavoeot, staat gelovig Israël dankbaar stil bij de oogst, maar vooral bij het geschenk van de Thora, de geboden.

Ruth2v12dienst
‘Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.’

Reageren op de Thora
Ruth 2 lijkt op een romantische passage uit mooie streekroman of een boeren-novelle.
Lang geleden op de velden van Bethlehem, ‘broodhuis’, halen jeugdige maaiers de tarweoogst binnen. ‘Sikkels klinken, sikkels blinken.’ Ruth, de Moabitische, een jonge, buitenlandse vrouw, nog zonder toekomst in het land waar zij asiel gezocht heeft, Israël, leest de aren, die na het maaien zijn blijven liggen. Ze doet dat voor het levensonderhoud van haar schoonmoeder, Noömi, een verbitterde weduwe en op dat moment zonder fatsoenlijke inkomsten.
De vermogende en alom gerespecteerde eigenaar van de grond verschijnt ten tonele. Boaz. Een wat oudere man van naam uit het dorp. Een personality.
Niet te vergeten, gelovig. Het oog van deze man valt op de vreemde, huwbare vrouw op zijn grondgebied. Van het één komt natuurlijk het ander. Ik zeg natuurlijk, maar het was helemaal niet zo natuurlijk. Welke vrome Jood trouwt er nou met een buitenlandse? Van het één komt toch het andere. Onder meer een baby, de stamvader van royalty’s zo blijkt later. Hun kind zal de bedovergrootvader van koning David zijn. Wat een toekomst! Wat een happy end! Wat een verhaal!
De Joden beschouwen in het boek Ruth absoluut niet als een streekroman of boeren-novelle. Het is één van hun heilige geschriften en wel een feestboek.
Hooglied, Klaagliederen, Prediker, Esther en Ruth zijn Bijbelboeken, die tijdens één van de grote Joodse feesten in de synagoge worden gelezen. De rabbijn leest Ruth tijdens het wekenfeest. Dit jaar eind mei. Tijdens het wekenfeest of in het Hebreeuws Sjavoeot staat gelovig Israël dankbaar stil bij de oogst, maar vooral bij de ontvangst van de Thora, de geboden. Ruth gaat over de Thora, om precies te zijn schrijft de onbekende auteur over de reactie van gelovig Israël op de Thora. Hoe geven de hoofdrolspelers, Boaz en Ruth, handen en voeten aan de geboden? Of te wel de feestrollen vertellen over de manier waarop het volk van God, hoe de gemeente in het dagelijkse leven de geboden van God in de praktijk brengt. In Ruth gebeurt dat op een indrukwekkende manier. Meer dan gewoon.

Partij kiezen
Een opvallende trek in het boek Ruth is, dat God niet meer zichtbaar is dan in uw en mijn leven. In dit Bijbelboekje, 4 hoofdstukken, over gewone mensen
over het gewone, in dit geval het agrarische leven, laat de God van de geboden geen manna uit de hemel regenen of water wellen uit de rots waarop een Mozes sloeg. Hij houdt ook de regen niet tegen, zoals in de dagen van Elia.
God en zijn machtige daden zijn in dit Bijbelboek meer dan elders verborgen, verhuld. Ik zei het al: Hij is niet meer zichtbaar dan in uw en mijn leven. Maar Hij is ook weer geen witte vlek. De geboden weerspiegelen de personality van de God van Israël. Ik citeer uit het gebodenboek van Israël, uit Leviticus:

Wanneer je de graanoogst binnenhaalt, oogst dan niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de HEER, jullie God.

Ruth besluit aren te gaan lezen achter de maaiers aan voor brood. Daarmee maakt ze gebruik van een recht voor armen en vreemdelingen, geformuleerd in deze wet. Zo zorgde Israël voor de sociale minima. Dit gebod tekent het gezicht van de God van Israël als een God die partij trekt voor de armen en vreemdelingen. ‘Onder U zal er geen arme zijn,’ staat er ook nog eens in Deuteronomium. In het gewone leven mag God voor ons gevoel soms ver weg zijn, we weten in ieder geval zeker dat hij een Bondgenoot van de armen is.
Het Wilhelmus van het diaconale werk, Psalm 146, zingt kernachtig over wat we naast alle vraagtekens die er bij ons leven absoluut zeker weten met betrekking tot de identiteit van God, de HEER. Wie is Hij? ‘ ’t Is de HEER, die recht der armen, der verdrukten gelden doet.’

De ooievaar

We geloven met Israël in ieder geval in een God, die in de bres springt voor de meest kwetsbare groepen in de samenleving. Waar komt die gevoeligheid bij hem vandaan? Van binnenuit! Gemeenteleden,die de oude psalmberijming nog hebben gezongen, zouden Gods karakter kunnen omschrijven met het museumwoord ‘goedertieren’. Zijn zwak voor onze ‘onaanzienlijkste broeders en zusters’, aldus een Jezuswoord, komt voort uit zijn goedertierenheid.
In Psalm 103 staat bijvoorbeeld ‘De HEER is groot van goedertierenheid.’ Chesed in het Hebreeuws van het Oude Testament. Ik leg het woord goedertierenheid uit met de ooievaar. Wel, het Hebreeuwse woord voor ooievaar is chasieda. Chesed, chasieda, u hoort de nauwe relatie tussen beide.
De chasieda, de ooievaar heeft die naam gekregen, omdat deze vogel heel trouw en lang voor zijn jongen zorgt. Heel anders dan bijvoorbeeld de struisvogel. In het boek Job staat:

‘Het struisvogelvrouwtje staat vrolijk te klapwieken, maar met haar slagpennen en veren is zij nog geen ooievaar. Ze legt haar eieren op de grond. Ze vergeet dat een voet ze kan breken.’

De ooievaar toont zorg voor haar nest in de bomen, of zoals bij ons op een paal. Weken lang vliegen de ouders af en aan met voedsel. De jongen zijn vaak al zo groot, dat je hen op het nest ziet wachten. De ooievaar, de chasieda, laat trouw zien, toont een hart voor haar jongen. Dat is goedertierenheid, chesed. In woorden van nu: goedheid, trouw, hart hebben voor, warme bewogenheid, duurzame menslievendheid. Zo is God! En dat worden de mensen die zeggen dat ze wat met God hebben, ook geacht te voelen voor hun medemens. Boaz heeft wat met God. Dat is zijn kracht. Zijn personality. Zijn naam betekent dan ook ‘in hem is kracht’. Hij heeft dus chesed. Menslievendheid. Dat uit zich in woorden. Boals spreekt in het Bijbelverhaal sympatieke, bemoedigende en gelovige woorden uit tegen een vrouw in een uitermate kwetsbare positie, de vreemdelinge uit Moab, de asielzoekster Ruth.
‘God zal je zegenen!’, wenst hij haar van harte toe, als antwoord op haar super-mantelzorgschap voor haar schoonmoeder en haar vaste voornemen om als buitenlandse te integreren in de Joodse samenleving.

Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.

God zal je onder zijn hoede nemen! Mooi beeld, God als een vogel, een ooievaar bijvoorbeeld, en mensen mogen schuilen onder zijn vleugels.
Hoe? Niet de bliksem zal als beschermmiddel uit de hemel neerdalen ommogelijke vijanden te doden, maar gewoon een gelovig mens, haar naaste, in dit geval een aangetrouwd familielid, Boaz, zal haar met alle menslievendheid uit de wereld onder zijn hoede nemen. Chesed, staat er in het Hebreeuws. Dat uit zich naast woorden ook in daden. Met je hart de geboden, de waarden en normen uit de Bijbel, in de praktijk brengen ten bate van je minste broeder en zuster. Zo komt God in het alledaagse leven dichterbij. Zo maak je hem zichtbaar.

Meer geluk dan grijsheid
Iets anders. Een kwestie vooral voor de 60-plussers onder ons. Hoewel? Het is heel bijzonder dat het tweede hoofdstuk van Ruth heel duidelijk een oudere Boaz laat afsteken tegen een veel jongere omgeving. Helaas, is die profilering tussen oud en jong weggevallen in de NBV. De Statenvertaling, die dichter bij de Hebreeuwse grondtaal staat, doet het wat dat aangaat een stuk beter. We lopen wat verzen in deze vertaling na. Ruth leest aren. Boaz komt naar het werk van zijn maaiers op het veld kijken. Dan staat er in vers 5 Statenvertaling dat Boaz ‘aan zijn jongen’ vraagt, wie deze vrouw toch is. Hij vraagt aan hem: ‘Wiens is deze jonge vrouw.’ Weer dat jong zijn. ‘En de jongen, die over de maaiers gesteld was, antwoordde:….’ Vers 6. ‘Deze is de Moabitische jonge vrouw…..etc.’ Als Boaz Ruth aanspreekt, noemt hij haar ‘mijn dochter’. Vers 8.
Boaz noemt zijn personeel ‘jongens’. Vers 9. Er zijn ook ‘dienstmaagden’, ongetrouwde meisjes op het veld. Vers 13. Ook Ruth noemt zichzelf ‘dienstmaagd’. Interessant allemaal! In vers 15 geeft Boaz zijn ‘jongens’ nadere instructies om Ruth extra van dienst te zijn. De man spreekt ook wat plechtig, absoluut geen turbotaal. De Bijbelschrijver maakt zo duidelijk dat Boaz tot de senioren van de dorpsgemeenschap behoort. Waarom? Ik las deze verklaring:
De verteller geeft aan de lezer door dat alleen iemand van een oudere generatie over voldoende wijsheid, levenservaring en geloof beschikt om een oplossing te bedenken voor de gecompliceerde situatie waarin een berooide Noömi en de buitenlandse asielzoekster Ruth zich bevinden. Er spreekt Oosterse waardering uit voor ouderen.
Ook wij hebben een visie op ouderen. Een Westerse visie. Ouderen hebben een visie op zichzelf. Niet zelden ziet dat er zo uit: In je jeugd ontwikkel je in toenemende mate kennis en vaardigheden. Het hoogtepunt van je kunnen en kennen ligt bij de middelbare volwassenheid. Dan volgt, ergens in de ouderdom, de achteruitgang. Ouderen zijn incompetent, lichamelijk zwak, intellectueel aftakelend, conservatief en afhankelijk. Of te wel: uitgerangeerd.
Nauwelijks in tel. Ouderen behoren tot de grijze golf die de samenleving alleen maar een hoop last bezorgen en geld kost. Graag wil ik met de Bijbel open bij Ruth twee deze negativiteit te lijf gaan. Naast schaduwzijden kent het ouder zijn zeker zonzijden. Ik noem: terwijl volle agenda’s mensen van middelbare leeftijd opjagen, heeft iemand van wie zijn werkzame jaren achter hem liggen, de tijd. De tijd voor een ander. Tijd is kostbaar. Veel ouderen hebben het.
Terwijl jongere mensen op kruispunten onzeker en gespannen de juiste weg naar de toekomst moeten zien in te slaan, hebben ouderen zo’n beetje alles
al een keer meegemaakt. Niet zo gauw van slag kunnen zij anderen met hun overzicht, levenservaring en levenswijsheid gidsen. Levenswijsheid is waardevoller dan veel kennis. Veel ouderen hebben het. Terwijl jongere generaties moeite hebben met het geloof, vormt een relatie met God voor de ouderen vaak een vanzelfsprekend bestanddeel van hun gedachtewereld. Ouderen kunnen anderen helpen om te geloven. Geloof is geen last, maar een verrijking voor je leven. Veel ouderen hebben het.
Kortom: de ouderdom kan best meer geluk dan grijsheid met zich meebrengen, aldus een boekje over ouder worden. Dit over jong en oud.

Meer dan het gewone
Een laatste opmerkelijk zaak uit Ruth hoofdstuk twee. Het gebod van God is glashelder.

Wanneer je de graanoogst binnenhaalt, oogst dan niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen.

Boaz staat als wetsgetrouwe Jood Ruth toe gebruik te maken van dit recht en veel meer dan dat. Hij instrueert bovendien zijn maaiers haar niet lastig te vallen. Bij dorst kan ze water halen bij zijn personeel. Ze deelt in de maaltijd.
Ook buiten de randen van de akker mag zij aren lezen en de maaiers hebben opdracht gekregen extra koren voor haar te laten liggen. De dagopbrengst van Ruth mag er dan ook zijn. De Bijbel in de Omgangstaal geeft 30 kg graan.
Boas kiest ervoor om meer dan de letter van de wet, meer dan het gewone te doen. Bij ‘meer dan het gewone’ moest ik denken aan de titel van een boekje, dat ik ooit in een antiquariaat gekocht heb. Feitse Boerwinkel had het geschreven. Het gaat over de Bergrede. In de Bergrede legt Jezus de geboden van God uit. Hoe ze in de praktijk te brengen.Hij onderwijst zijn volgelingen meer dan het gewone te doen. ‘Als iemand je op de ene wang slaat, keer hem de andere toe.’ Je eigen mensen liefhebben, prima. Maar heb je vijanden ook lief! ‘Wees volmaakt,’ instrueert Jezus zijn volgelingen, ‘zoals je Vader in de hemel volmaakt is.’ Volmaakt zijn? Wij? Dat gaat ‘m niet worden. Toen zetten we Bergrede maar op de bovenste plank. Meer dan het gewone doen, dat ligt buiten ons bereik. ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gelovig genoeg,’ zeggen we tegen elkaar. Boerwinkel wilde de Bergrede terug te zetten op de onderste plank, op het niveau van het dagelijkse leven. Er moet gehandeld worden.
Daar was het Jezus ook om te doen. Juist christenen hadden de taak een stapje meer te doen, meer dan het gewone, en zo recht en vrede in de wereld dichterbij te brengen. Meer dan het gewone dat deed Ruth voor haar schoonmoeder en zo handelde Boaz in het belang van Ruth en Noömi. Daar komt het nog steeds voor christenen ook op aan. Het verschil willen maken om zo een verborgen God in het gewone leven zichtbaar maken.

Geef een reactie