Preek Goede Vrijdag, ds. Bert van der Linden

7 KRUISWOORDEN IN WOORD EN BEELD

Zeven zinnen sprak Jezus toen hij aan het kruis hing, volgens de vier evangeliën. Zijn laatste woorden. Deze ‘kruiswoorden’ worden gelezen in de Veertigdagentijd, in de Stille Week en op Goede Vrijdag. Zeven schilderijen in de compositie van het kruis vormden de leidraad in de Goede Vrijdagdienst.

De schilderijen werden gemaakte door: Corine Schaap, Toos Fennema, Hannie van Dongen, Tineke Schouten, Lisa de Rooij, Piet van Drongelen en Truus den Rooijen. De korte overdenkingen lichten de achterliggende gedachten toe.

 

De ijzeren nagel trekt in het schilderij over het kruiswoord over vergeving
de eerste aandacht naar zich toe. Romeinse soldaten doorboorden met deze beruchte spijker de hand van Jezus voor hij aan het kruis ging. De wond bloedt.
De vingers spreiden zich onder de pijn machteloos uit naar verlichting. De realistische uitbeelding geleidt dit onmenselijke lijden, dat Jezus door gevoelloze soldaten wordt aangedaan, door de tijd, naar onze handpalm.

Achter de nagel in de doorboorde hand van Jezus is een hart geschilderd, dat zich naar de voorgrond wil bewegen. Het hart is het symbool van Jezus’ liefde, die God bidt om vergeving voor de Romeinse soldaten. Zij doen stomweg wat hen is opgedragen. ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’

Corine schreef bij haar uitbeelding van het eerste kruiswoord: ‘Als kunstenaar heb ik ervoor gekozen om te shockeren en de hand van Jezus aan het kruis te schilderen voor het hart, dat staat voor de liefde, waar van uit wij kunnen vergeven.’ Ja, mensen doen elkaar wat aan. Van onaardigheid tot onrechtvaardigheid. Van klein fysiek tot groot psychisch geweld. ‘Er gaat voor mij een soort troost vanuit,’ schreef zij bij het werk, ‘dat Jezus zijn Vader vergiffenis voor de mensheid heeft gevraagd en al op voorhand voor hun gedrag een excuus heeft aangevoerd: ‘ze weten niet wat ze doen’.

Maar als de dader maar al te goed weet wat hij aanricht? Brussel! Wat dan te doen met de te felle pijn en het verdriet? Het is niet altijd mogelijk een ander te vergeven. Je kunt te diep geraakt zijn. Als het te groot voor je is, kun je aan God vragen om te vergeven. ‘Vader, vergeef het hun…’ Ik kan het niet. Nog niet.

Twee moordenaars worden tegelijkertijd met Jezus gekruisigd, vertelt Lucas, die in zijn evangelie zich vooral bekommert om degenen die er niet bij horen; de outcasts. De ene misdadiger doet wat iedereen doet: hij steekt de draak met de nepmessias naast hem. De andere voelt zich beschaamd en weet dat hij zijn verdiende loon ontvangt, in tegenstelling tot Jezus, die onschuldig lijdt en sterft. ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt,’ krijgt hij in doodsnood nog over zijn lippen. Een ‘Kyrie eleison!’ Een ‘Heer, ontferm u over mij!’
Het schilderij van Toos Fennema van een bijna dood ervaring verbeeldt Jezus’ antwoord. De toeschouwer wordt mee genomen in een tunnel met aan het eind een groot rond licht. Daarachter ligt het paradijs, vast. Daaromheen de regenboog als het teken van de betrouwbaarheid van God. De twee figuren stellen Jezus en de berouwvolle moordenaar voor. De Messias legt zijn arm om de schouder van de misdadiger en wijst naar het paradijs als zijn laatste bestemming. Hij bedekt hem met de mantel der liefde. De doornen takken, een toespeling op de doornen kroon, symboliseren het kwaad dat nu voorgoed achter hem ligt. ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’
Zelfs aan het kruis houdt Jezus vast aan de ruimhartigheid van God, ook al lijkt God op dat moment ver weg. Het is de ruimhartigheid van God, die Jezus heel zijn leven heeft hooggehouden, tot op het einde.

In die tijd zetten nabestaanden de woorden van de moordenaar vaak op een grafmonument: ‘Heer, gedenk mijner.’

Bij het kruis waaraan Jezus stervende is, staan volgens de evangelist drie Maria’s. Ook zijn moeder. Zwaar ademend opent Jezus moeizaam zijn ogen en ziet, ziet naast zijn moeder de discipel staan van wie hij veel hield. Johannes.
Jezus verbindt Maria en Johannes met het derde kruiswoord aan elkaar. ‘Vrouw, zie uw zoon.’ Daarna zei hij tot zijn discipel: ‘Zie uw moeder.’

Centraal staan in het schilderij van Hannie van Dongen de twee, die in opdracht van Jezus naar elkaar omzien. In de verbeelding wordt het lijden op de kruisheuvel Golgotha slechts aangestipt. Hier en daar duiden wat vage sporen van rode tinten in het overheersende blauw het verschrikkelijke aan, dat Jezus en die hem liefhadden overkomt. Wat opvalt, is dat op het schilderij het kruis leeg is. Alle aandacht gaat uit naar de figuren, Maria en Johannes, die elkaar troosten. Zij staan tegen een lichte achtergrond, die de toekomst symboliseert. ‘Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis,’ vertelt de evangelist. Ze kunnen verder, samen. Niet het lijden, maar ons antwoord daarop, beheerst de uitbeelding.

Mensen worden door het lijden aan elkaar gegeven als zuster en broeder, als moeder en kind. Mensen zijn elkaar gegeven als familie op een manier die elke bloedband overstijgt. Eén.

Midden op dag als alles duister om Jezus heen is geworden -het gaat drie uur duren- bidt hij met zijn laatste krachten een hartverscheurende klacht richting de hemel: ‘Eli, Eli, lema sabachtani!’ Zijn gebed is een schreeuw van ongekende eenzaamheid, in het Aramees, zijn moedertaal. Blijkbaar gebruikt een mens die op momenten van opperste ellende. Marcus citeert in zijn evangelie dat altijd haast heeft, maar één kruiswoord. Dit! Het meest indringende van allemaal: het vierde . Die ten hemel schreiende klacht van gekruisigde kan hij maar niet vergeten: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten.’

Tineke Schouten schreef bij haar schilderij over deze aangrijpende en geladen uitroep: ‘Een zonsondergang bij heldere lucht geeft altijd een gevoel van afscheid, een gevoel van wonderlijke verlatenheid en leegte. Alsof God, met zijn licht, ons gaat verlaten.’

De omstanders laten volslagen onbegrip zien als ze menen, dat de gekruisigde om Elia roept. Quasi gelovig gaan ze al op de uitkijk staan. Jezus van God èn mens verlaten! Misschien heeft hij toen toch nog zijn moeder onder het kruis zien staan en haar meelevende blik opgevangen. Misschien was hij zich nog bewust dat midden op de dag in de tempel het offer werd gebracht en de gebeden van de gelovigen gezegd. Zijn gebed opgenomen tussen al die andere gebeden. Want als er een God is die je draagt, dan toont hij zich daarin: de nabijheid en de gebeden van mensen. Of was het helaas te donker?

Het schilderij denkt van niet. ‘De hoop en de belofte van Pasen licht al op in de duisternis tussen de palen van de strekdam.’

Jezus werd na uren rechtszitting en gesleep, veroordeeld, bespot en gegeseld. Daarna moest hij het zware stuk hout, waaraan hij genageld zou worden, zelf naar de plaats van de terechtstelling schouwen. Nu hangt hij al enkele uren aan het kruis. Hij moet dorst hebben geleden. Versmachten van de dorst. Hij was ook maar een mens.

‘Ik heb dorst!’ Lisa schilderde handen, die smeken om het weinige water dat uit een kruik vloeit. ‘Geef mij water! De soldaten onder aan het kruis laten zich van hun humane, hun quasi humane kant zien, als ze een spons aan een marjoraantak in een vat met zure azijn steken en de ter dood veroordeelde ervan laten drinken. En Jezus drinkt.

Merkwaardig is dat de evangelist Johannes met geen woord rept over de fysieke reden van Jezus’ dorst. Hij komt met schriftgeleerdheid. Jezus roept het uit ‘Mij dorst!’ om de woorden van Psalm 67 in vervulling te laten gaan. Wie wil nu niet weten wat daar staat? Psalm 67 is een psalm, die overheerst wordt door de klacht, die tot uiting komt in de gebeden en de verwensingen aan het adres van zijn vijanden. De beschrijving van de ellende van de ik-persoon overheerst. ‘Ze lesten mijn dorst met azijn, staat er opeens over het sarcasme van zijn plaaggeesten. ‘Dit gaat over Jezus, leest evangelist Johannes in de psalmwoorden.

Jezus leefde met en kwam tot leven in de psalmen. Deze liederen van gelovig Israël beginnen vaak in mineur, maar eindigen in majeur. Zo ook de psalm van Jezus aan het kruis. Met woorden : ‘wie God zoeken, hun hart zal opleven, want de Heer hoort de armen,’ schemert er al iets van de hoop van Pasen door.
God zal uitkomst geven.

Op de icoonachtige voorstelling van het zesde kruiswoord schilderde Piet van Drongelen in het midden van een groot kruis het toegetakelde hoofd van Jezus Christus. Het portret van de gekruisigde heeft een paarse achtergrond meegekregen: de kerkelijke kleur van de lijdenstijd. Jezus’ hoofd helt naar één kant. Het einde van een moegestreden man nadert. Alles doorstaan, volgehouden, niet bezweken, geen onvertogen woord is er over zijn droge lippen gekomen. En tenslotte, amper hoorbaar wellicht, bijna als een zucht van verlichting dat het niet meer hoeft: ‘Het is volbracht.’ Het is klaar. Eindelijk.
De cirkel rond.

Rond de ogen sluitende Jezus heeft de schilder een bloedrode krans van doornen takken geschilderd. Dit keer niet de kroon van Jezus, maar van de aarde, Gods goede schepping, die door de zonde met doornen is gekroond.
Zonde. Het beeld van de hogepriester dient zich aan. In dat beeld gaat Jezus naar het donkere heiligdom om daar iets te doen dat te maken heeft met dat zo onpeilbare woord verzoening. Verzoening is het bijeenbrengen van wat o zo pijnlijk niet bij elkaar hoort, goed en kwaad, vriend en vijand. Het is een oude wet in Israël, dat vrede mogelijk is maar dat er een offer nodig is om die vrede tot stand te brengen. Iemand moet de prijs betalen. Iemand was in staat zichzelf prijs te geven. Met alles wat hij had gegeven, zijn ziel en zijn zaligheid.
Was dat niet de opdracht die Jezus in Gods naam volbracht?

Het laatste kruiswoord. Golgotha’s kruis is door Truus den Rooien uitgebeeld tegen een donkere achtergrond. Een witte duif maakt zich los van het hout.
De vogel symboliseert de Geest van Jezus. ‘Geest’ met hoofdletter geschreven: de heilige Geest. Het kruis is leeg. Jezus is niet meer. Met luidde stem had hij nog geroepen: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen stierf hij.

God steekt zijn twee tegen elkaar gehouden open handen op dat moment naar voren, klaar om de duif op te vangen. In uw handen, God – dus niet in de handen van zijn moordenaars, van zijn verrader of van de instemmende omstanders. Met het zevende kruiswoord bevrijdt Jezus zich uit die vijandige handen. Aan allen die hem naar het leven staan, laat hij horen: ‘Over mijn leven hebben jullie niets te zeggen. Ik ben in de handen van de Vader.’

In kloosters klinken deze woorden aan het slot van de dienst die de dag besluit, als laatste woorden voor het slapen gaan. Woorden om je aan toe te vertrouwen. Ze komen uit Psalm 31, aan het einde van een lang en hartstochtelijk gebed om bevrijding uit de greep van vijanden. ‘God, in uw handen leg ik mijn lot en mijn leven,’ schrijft de psalmdichter. Niet aan de dood, maar aan God die ons leven behoudt, geldt onze overgave, elke nacht en elke dag, als we leven en als we sterven.

De achtergrond van het schilderij is donker, rond het kruis een randje wit, er gloort een dun straaltje licht…..

Geef een reactie