Zondag 7 juni ’15 Doopdienst 

De woorden uit de profetie van Jesaja klinken op het eerste gezicht als een claim:
‘Jij bent van mij!’ Ze lijken te zeggen: ‘Je bent mijn eigendom!’ Zo zijn ze niet bedoeld. De uitroep geeft uitdrukking aan de hechte relatie tussen God en een mens, zoals de relatie tussen een moeder en haar kind onverbrekelijk is.
Het thema: ‘Jij bent van mij!

Lezing: Jesaja 43: 1 – 7
Tekst voor de verkondiging Jesaja 43:1
‘Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!’

Verkondiging

Gemeente van Jezus Christus,

Adoptie.
In 1987 waren we in Brazilië voor de adoptie van onze zoon. Terug in Nederland
hielden we hem voor de doop. De koster van de dorpskerk in Werkendam, waar we toen woonden, verwijderde het zware, ronde, stenen deksel van het doopvont. Wanneer ik preek in Werkendam -paar keer per jaar – moet ik altijd weer denken aan de doop van mijn zoon in die kerk. Altijd weer wordt mijn aandacht dan getrokken door de woorden op het deksel van het doopvont daar. Er staat geschreven: ‘Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij.’ Jesaja 43 : 1. Toen ds. J.M.D. van den Berg
in de doopdienst de naam van onze adoptiezoon, Adrian José van der Linden, luid en duidelijk liet horen, ging er heel wat door ons heen en ik dacht: ‘Nu wordt onze zoon voor de tweede keer geadopteerd!’ Voor de eerste keer juridisch bij de rechter van Fortaleza in Brazilië, waar hij geboren is. Voor de tweede keer adopteert God een vreemd en kwetsbaar kind bij het doopvont en neemt Hij het aan als zijn eigen kind.
Hoe ik op het adoptie-idee kom? ‘Ik heb je bij je naam genoemd. Je bent van mij!’ is een oosterse adoptieformule. Zo duiden we de doop van onszelf en van Sophie en Pepijn: adoptie. Hun naam klinkt. Het water vloeit over hun voorhoofd. Gelovig horen en zien we dit sacrament als een teken en bevestiging, dat God deze kinderen ook als zijn kinderen aanneemt, eens en voorgoed.
Jezus nodigt zijn volgelingen niet voor niets uit om God in de hemel aan te spreken met ‘Abba, Vader’. Mooi dat één van de doopouders het lied ‘Abba, Vader’ graag wilde laten opnemen in de doopliturgie. ‘Abba, Vader, U behoor ik toe!’ Met ‘ik heb je bij je naam geroepen. Je bent van mij!’ spreekt God zich uit: ‘Ik ben je liefdevolle Vader in de hemel en jullie zijn mijn kinderen met alle rechten en plichten die daarbij horen. Rechten: de erfenis. Je erft het eeuwige leven. Plichten: de huisregels. Leef in liefde tot God en je naaste!

Een liefdesverklaring
‘Ik heb je bij je naam genoemd, jij bent van mij’, staat er in Jesaja 43 en op heel veel doopvonten trouwens. Als je naam, als je voornaam klinkt……………
Een gemeentelid was bijna 90 jaar. Veel familie en vrienden waren inmiddels overleden. Hij vroeg aan een collega: ‘Dominee, wilt u mij voortaan bij mijn voornaam noemen?’ ‘Waarom dat?’ Was mijn jonge collega niet gewend bij oudere gemeenteleden. ‘Nu er zoveel van mijn leeftijdgenoten zijn weggevallen, is er bijna niemand meer die mij bij mijn voornaam noemt!’ ‘René!’
Vaak in het eerste levensjaar spreekt God al onze voornaam uit. Die naam verbindt ons met zijn netwerk en worden we verbonden met het netwerk van de kerk, Gods familie. Onze Schepper kent ons vanaf het begin. Hij gaat een persoonlijke relatie met ons aan. Hij verklaart ons zijn liefde! Wanneer de voorganger in zijn naam, ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest’, de naam van de dopeling mag uitspreken dan wordt van deze Vader in de hemel gezegd, dat hij in liefde met zijn kinderen om zal gaan. Zijn handelen jegens ons wordt gemotiveerd door pure liefde,
agapè in de taal van de Bijbel. Volgens de Bijbel gaat het hierbij zelfs om een liefde,
die sterker is dan de liefde van de ouders voor hun bloedeigen of geadopteerde kind.
‘Kan een vrouw haar zuigeling vergeten of harteloos zijn tegen het kind dat zij droeg?’ laat Jesaja God aan het woord. Hij gaat verder: ‘Zelfs al zou zij het vergeten….’ -denken moeders in Brazilië en andere adoptielanden nog altijd aan hun afgestane kind?- ‘Zelfs al zou zij het vergeten…. ik, God, vergeet jou nooit!’
Maar de liefde kan niet van één kant komen. Als in de Bijbel de naam Besaleël klinkt, krijgt deze ambachtsman opdracht de inventaris van de tabernakel te vervaardigen. Als in de Bijbel de naam van koning Cyrus klinkt, dan krijgt hij de opdracht een humane politiek te bedrijven. Of te wel als God onze naam bij de doop noemt, betekent dat naast een liefdesverklaring, ook dat hij zijn missie in deze wereld
aan ons toevertrouwt. Je bent niet zomaar op aarde terecht gekomen. Een beetje in het rond freewheelen. ‘Wees het zout van de aarde! Wees het licht in de wereld!’ zegt Jezus als oudste broer in het gezin van God. ‘Laat je licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel,’ luidt ons aandeel als geadopteerde kinderen van God. Ons aandeel gaat wel eens de mist in. Daar wil ik het nu over hebben.

Klaar met God
Vorig jaar zijn er 354 adoptiekinderen uit het buitenland in Nederlandse adoptiegezinnen geplaatst. Niet alle adopties zullen zich even succesvol ontwikkelen.
Ik heb wel eens een percentage van 25 % gehoord als het over onder te grote druk staande of verbroken relaties tussen ouders en aangenomen kinderen gaat.
De adoptieformule uit Jesaja ‘Ik heb je bij je naam genoemd. Jij bent van mij.’ klinkt tegen de achtergrond van een mislukte adoptie van Israël. In de Bijbel neemt God het volk Israël als zijn lievelingszoon aan. ‘M’n oogappel!’
Van de relatie die zich vervolgens ontspon, wordt niemand vrolijk. Het Oude Testament vertelt dat Israël God dood verklaarde en dat het niet binnen de relatie met de hemel wilde blijven acteren. Israël creëerde afgoden. Het volk weigerde in de stijl van God te leven: ze deden geen recht aan de zwakken in de samenleving en de medemens in de verdrukking. Diep ontgoocheld en gekwetst liet God hen vallen. Hij regisseerde de deportatie van Israël en hun eeuwenlange ballingschap, vertelt de Bijbel over de heftige reactie van de Vader. Maar vergeten kon God, de Schepper en Redder, Israel en het lot van zijn creatie niet. ‘Ik heb je toch bij je naam geroepen. Je bent toch van mij!’ ‘Je bent zo kostbaar in mijn ogen,’ leeft Jesaja zich in God in. ‘Ik houd zoveel van je.’ ‘Ik mis je.’ ‘De hele mensheid wil ik geven in ruil voor jou!’ God kijkt uit naar het herstel van de verbroken relatie, zoals de liefdevolle Vader uit Jezus’ gelijkenis over de verloren zoon uitziet naar de thuiskomst van een kind, dat op zijn schreden terugkeert. Liever raakt de Vader in de hemel zijn eigen Zoon kwijt aan een kruis, dan dat Hij een mensenkind, dat hij bij zijn naam geroepen heeft, kwijt raakt.
Ik vertel u geen nieuws als ik zeg, dat ik nogal wat dopelingen van weleer zie die helemaal klaar zijn met hun adoptie. De doop vertelt: God is nooit klaar met ons!

Een gebaande weg
Met een vertrouwelijk ‘Abba, Vader, ’haast ‘papa’, benaderen we de God van de doop, die ons als zijn kinderen aangenomen heeft en we gaan helemaal uit van zijn geweldige reputatie: Hij is een God van liefde, die ons niet kan vergeten. Wat een zon aan het begin van de levensweg voor de baby!
Gaandeweg blijkt het echter allemaal niet zo eenvoudig te werken als het op het eerste gezicht lijkt. Een man als Einstein, diep religieus, had niet zoveel met bepaalde ideeën in de kerk. Volgens hem dachten ze daar te simpel over ‘papa in de hemel’. Platte voorstellingen van God lopen stuk op de ingewikkeldheid van ieders leven en de ruige werkelijkheid van ons bestaan. De Schepper van hemel en aarde kun je niet even terugbrengen tot een paar naïeve, hapklare vuistregels zoals: ‘God is lief en hij zou het fijn vinden als wij ook een beetje lief voor elkaar zouden zijn.’
Of: God beloont gelovigheid eerlijk door het ons voor de wind te laten gaan. Dopelingen krijgen echt geen voorkeursbehandeling. Jesaja schrijft weliswaar heel mooi over bij name gekend zijn door God en over een hartverwarmende adoptie, ‘Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!’, maar hij heeft het ook over ‘door het water gaan’ en ‘door het vuur gaan’. Let wel: niet er langs heen, maar er door heen. Het zijn beelden voor de tegenslagen en soms verschrikkingen, waar we tijdens onze levensreis tegenop moeten boksen. God spaart niemand, zelfs zijn eigen zoon niet. Net zo goed als een chimpansee geen sikkepit van de natuurwetten snapt, zo begrijpen wij met ons beperkte IQ God van geen kanten, wanneer het kwaad goede dopelingen treft.
Jesaja vindt desalniettemin houvast in Gods reputatie van liefde, van onbegrepen liefde soms, die beaamd wordt door zoveel mensen in de Bijbel en buiten de Bijbel,
in de kerk en buiten de kerk. Hij valt de moeilijkheden in de rede met woorden in welke God we geloven: ‘Moet je door het water gaan – ik ben bij je; of door rivieren – je wordt niet meegesleurd. Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren, de vlammen zullen je niet verschroeien.’
Bij deze woorden moest ik denken aan het prachtige gebed van Alexander Solzjenitsyn, de eigenzinnige Russische dissident die indertijd als criticaster van de Sowjet-regering naar de Goelagarchipel werd afgevoerd.
Hij bidt:
‘Hoe goed is het voor mij,
met U te leven, Heer,
en in U te geloven.
Hoe goed is dat voor mij!
Wanneer ik twijfelend niet meer verder kan,
met mijn verstand geen uitweg weet,
wanneer de slimsten zelfs niet verder zien,
dan tot de avond van de dag
en niet meer weten
wat er morgen gedaan moet worden….
Dan geeft Gij mij, onwrikbaar vast,
de zekerheid dat U er bent
en er voor zorgen zult
dat mij niet alle wegen
naar het goede versperd zullen geraken.’
Met andere woorden: ‘Ik weet dat God de weg mij banen zal.’ Iedereen gedoopt of ongedoopt dat vertrouwen toegewenst!

Amen.

Geef een reactie