Marcus 9 vers 40, preek ds. Bert van der Linden 27-09-2015

‘’Ik verzeker je: wie jullie een beker water te drinken geeft, omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden.’

Gemeente van Jezus Christus,

1. Ruimdenkend

Er was eens, vertelt de evangelist Marcus, een exorcist, een duiveluitbanner.
Hij was bezig om in de naam van Jezus boze geesten uit mensen te verjagen.
Zonder dat hij een volgelingen van Jezus was misbruikte hij die heilige naam voor eigen doeleinden. Dat was de pijn van Johannes.
In moderne bewoordingen: Er is een man in de weer, of een vrouw, om zijn medemens te helpen. Hij gebruikt daarbij de verhalen over Jezus uit de Bijbel als therapie, zonder dat deze therapeut zelf in Jezus gelooft en/of naar de kerk gaat. Om de kwestie nog wat dichter bij te halen: De medewerker van de voedselbank showt trots een reusachtig kruis als tatoeage op zijn ontblote bovenarm, terwijl hij eigenlijk niets met het geloof heeft. Of: De antiek-verzamelaar heeft een ontroerend mooie middeleeuwse crucifix in zijn vitrinekast, maar is geen lid van de gemeente van Christus. Hij doneert wel iedere maand een flink bedrag voor de lijdende medemens. Laat mij raden……
Vermoedelijk maakt het voor u niet uit of de liefde van de ene kant komt,
van de zijde van de gemeente van Christus, of van de andere kant, van mensen en organisaties buiten de kerk. Als er maar geholpen wordt. Sinds de levensbeschouwelijke zuilen zo goed als verdwenen zijn, zijn wij ruim-denkender geworden. Ruimdenkender. Dat is winst.

2. Overvloedmentaliteit

Uiteraard kun je minder ruimdenkend tegenover deze kwestie staan.Neem Johannes. Hij spreekt Jezus er zo over aan: ‘Meester wij hebben iemand gezien
die uw naam gebruikt om kwade geesten weg te jagen. Wij zeiden dat hij daarmee moest ophouden. Want hij hoort niet bij ons.’ Ooit wilde Johannes vuur laten regenen over Samaritanen, die de Jood Jezus op doorreis naar Jeruzalem geen onderdak wilden verlenen. Zijn bijnaam ‘zoon van de donder’ deed hij alle eer aan. Nu wil hij ook radicaal afrekenen met deze concurrent op levensbeschouwelijk gebied. Zat in zijn karakter, denk je dan. Hij rekent op de steun van Jezus voor deze maatregel. Wat ging er door hem heen? Jaloezie, camouflage en/of controle, denk ik. Eerst een paar woorden over camouflage en jaloezie. Marcus vertelt, dat de discipelen kort daarvoor hadden gefaald
bij de hulpverlening aan de vader van een zoon, die van demonen bezetten was. Epilepsie. ‘Ik zei tegen uw volgelingen, dat ze de boze geest moesten uitdrijven,’ doet de vader zijn beklag bij Jezus, ‘maar dat konden ze niet.’
De exorcist, die Jezus’ naam gebruikt, blijkt meer succes te behalen. Hij spijkert met de behaalde resultaten de volgelingen van Jezus vast op hun onmacht.
Kan Johannes het feit dat deze outsider in tegenstelling tot de insiders scoort niet hebben? Is hij jaloers en moet die ander nu weggewerkt worden om eigen falen te camoufleren? Het is mogelijk. Er kan ook nog een ander motief meespelen. Johannes is een controle freak. Zelfbewust gaat Johannes
als één van de intimi van Jezus ervan uit, dat hij op een troon naast Jezus plaats mag nemen, wanneer eenmaal het Koninkrijk van God aan zal breken,
vertelt Marcus. Hij wil domineren en de exorcist, die het werk van Jezus kopieerde controleren. Bazen. Of het nu gaat om jaloezie en het camoufleren van eigen onmacht of om het controleren van de concurrent, Johannes is overtuigd van de exclusieve rechten van zijn club bij het bestrijden van het kwaad en het doen van goede daden. Een arrogant trekje. Hij mist de overvloedmentaliteit.
De overvloedmentaliteit dat is: er is zoveel te doen, er is daarbij ook voor iedereen succes te behalen, dat Johannes en wie dan ook bereid zou moeten zijn geweest, om anderen, hoewel niet van het eigen houtje, altijd te laten delen en te betrekken bij de taak om medemensen, die fysiek, psychisch, geestelijke, moreel of sociaal in de knel zijn geraakt, bij de staan. Dat heet inclusief denken. Iedereen die mee wil doen, mag mee doen. Inclusief denken. Dat is winst!

3. Tolerantie

In wezen geeft het evangelie van Marcus met het optreden van Johannes en de zijnen contra een exorcist een kijkje achter de schermen van een kwetsbare, vroege kerk in wording. De eerste christenen werden geconfronteerd met heidense wonderdoeners. Wat moest men aan met routiniers op levensbeschouwelijk gebied, die succesvol of minder succesvol, gebruik maakten van de naam van Jezus, zonder deel uit de maken van de gemeente van deze Jezus? Waren zij vrienden of vijanden van de kerk?

Het boek Handelingen over kerkplanting en kerkopbouw denkt in deze kwestie zwart wit. Handelingen zet enkele wonderdoeners, exorcisten, magiërs,
of hoe ze ook geëtiketteerd worden, buiten spel ten gunste van de kerk.
Handelingen 3. In Samaria lopen de apostelen Petrus en Johannes tegen Simon de magiër aan. ‘Een tovenaar’, in een andere vertaling. Diep onder de indruk van het effect van de heilige Geest in mensen wil Simon de macht om mensen onder handoplegging de heilige Geest te laten ervaren voor geld kopen. Petrus vaart tegen hem uit met de woorden: ‘Jij en je geld horen in de hel!’ ‘Jij denkt dat Gods heilige Geest te koop is!’ ‘Jij hoort niet bij ons, want je wilt niet God dienen, maar jezelf.’ Simon wordt neergezet als geldzuchtig. Vijand.
Handelingen 13 vertelt over de magiër Barjesus of in het Grieks Elymas, die optrad als profeet. Hij wilde het veld niet ruimen voor Paulus. Werkte de apostel tegen. ‘Jij bent een kind van de duivel, een vijand van alles wat goed is!’ zet Paulus hem aan de kant. ‘Je zit vol kwaad en leugen.’ ‘Je liegt over de boodschap van de Heer.’ Elymas wordt voor straf met blindheid geslagen.
De man wierp een drempel voor het evangelie op. Vijand.
Nog een voorbeeld. In Handelingen 19 komt een bijzonder stel voor, namelijk de zeven zonen van Scevas . Ze reisden rond en joegen kwade geesten uit bezetenen weg. Op een gegeven moment proberen ze de naam van Jezus uit
bij de genezing van hun cliënten. ‘Jezus, over wie Paulus vertelt, geeft ons de macht om jou weg te jagen,’ overtroefden ze tegen de kwade geest. Als reactie op hun actie kregen ze van de boze geest te horen: Jezus ken ik. En ik weet ook wie Paulus is. Maar wie zijn jullie?’ Vervolgens slaat een agressieve bezetene de zonen van Skevas in elkaar. Vijanden.
Wat lees ik tussen de regels van Handelingen door? De vroege kerk in opbouw
wil zich organiseren en haar identiteit profileren. Voor de versterking van de eigen groep maakt men gebruikt van een heldere afbakening. Zwart wit.
Je hebt ‘wij’ en ‘zij’. Wie zich niet bij ons aansluit is geen vriend, maar een vijand. De gelederen werden gesloten met als doel gemeenteopbouw. De indeling in ‘wij’ en ‘zij’ komt nog altijd voor in de kerk, inderdaad met een beroep op de Bijbel.
Jezus gaat tegen het schema vriend en vijand in. Te makkelijk. Hij zegt in het evangelie van Marcus tegen Johannes: ‘Laat de exorcist zijn gang gaan!’
Jezus pleit voor tolerantie! Tolerantie in een wereld vol godsdienstconflicten.
Dat is pure winst!

4. Bondgenoten
Jezus gaat voor tolerantie. Johannes daarentegen wil een exorcist die de naam van Jezus gebruikt uitschakelen. Hij krijgt Jezus niet aan zijn kant. Jezus bestrijdt zijn fanatisme door te antwoorden: ‘Laat hem zijn gang gaan.
Hij gebruikt mijn naam om een wonder te verrichten. Zo iemand zal niet snel iets slechts over mij kunnen zeggen.’ De man krijgt de ruimte. ‘Wie niet tegen mij is, is voor mij’, voegt Jezus toe. ‘Wie niet onze vijand is, is onze vriend.’
Het evangelie van Marcus draagt een pragmatisch motief aan. Het zit hem in de woorden: ‘Zo iemand die mijn naam gebruikt zal niet snel iets slechts over mij zeggen.’ Wat wordt bedoeld? De boodschap van Jezus stuitte op weerstand.
Vijandschap stak de kop op. Niet iedereen ontpopte zich als tegenstander.
Er waren gelukkig altijd weer mensen, ook al waren ze geen medestanders,
die de naam van Jezus in mond wilde nemen. Van hen kon je geen kwaad verwachten. Die zagen wel wat in Jezus. Het was zelfs zo dat er niet-christenen waren, die vervolgde christenen een beker water aanreikten, of te wel, als zij in de problemen kwamen, hen niet lieten vallen, maar juist hielpen. God zou hen belonen,
zoals hij ook Nederlanders zal belonen, is mijn overtuiging, die in de oorlog Joden, Gods volk, van een onderduikadres hebben voorzien. ‘Denk niet in de schema’s van vriend en vijand, liefde en haat, zwart en wit,’ onderwijst Jezus zijn volgelingen. Uit onverwachte hoek kunnen best bondgenoten te voorschijn komen. Ik kwam nog niet zo lang geleden een onverwachte vriend tegen.
Een Fransman. Graag geef ik zijn vriendschap aan u door.

5. Principes van Jezus
Onze vriend heet Frederic Lenoir. Hij is een Franse filosoof. Ongelovig.
‘God is zomaar een woord, zonder dat het naar iets of iemand verwijst,’
luidt zijn overtuiging. De kerk vindt hij ook maar zo zo. Ik zei het al: deze vriendschap komt uit een vreemde, onverwachte hoek. Als filosoof deed hij onderzoek naar de boodschap van Jezus. Hij heeft het gewoon over de belangrijke principes vrijheid, gelijkheid en broederschap, luidt zijn conclusie.
Jezus liet iedereen vrij om die persoonlijke relatie met God al dan niet aan te gaan. Daarin hebben we niets over de ander te zeggen. Geen dwang.
God is het die zal oordelen. Vrijheid. Jezus benadrukte de individuele relatie tussen de mens en God door mensen kinderen van God te noemen. Omdat we allemaal de Vader in de hemel hebben, zijn we allemaal gelijk. Jezus behandelde daarom vrouwen ook als gelijken. Gelijkheid. God is bij Jezus een bron van liefde, waaruit je kunt putten. Liefde predikte hij, liefde voor je naasten, omdat ze gelijk zijn aan jou. Het gaat bij Jezus om echte, authentieke, open liefde, die maakt dat je iedereen respectvol behandelt. Agapè in het Grieks. Broederschap. Humanisme, humaniteit, zeggen we tegenwoordig. Lenoir komt tot de conclusie dat de principes van Jezus over goed en kwaad
ten grondslag liggen aan de Universele Verklaring van de Rechten van de mens.
Zijn boek over de universele boodschap van Jezus is getiteld ‘Jezus de filosoof’.
Jezus een filosoof? Maar Jezus is toch de Messias! Hij is toch de Zoon van God!
Klopt. Lenoir benadert Jezus met zijn ratio. Wij benaderen hem vanuit ons geloof in God. Ondanks dit fundamentele verschil, laat daar geen misverstand over bestaan, komt de grootheid van Jezus bij Lenoir goed uit de verf. Nu eens niet van onze kant, maar van de kant van iemand die niet gelooft en niet naar de kerk gaat. Zij boek toont aan dat het absoluut geen lachertje is om Jezus een plaats in het centrum van ons persoonlijk leven, van de kerk en de samenleving te geven. We geloven niet in zomaar iemand. Hij behoort tot de groten der aarde. De principes van Jezus liggen ten grondslag aan de Universele Verklaring van de Rechten van de mens, aldus Lenoir. Het boek van de ongelovige filosoof ervoer ik als een opsteker voor onze betrokkenheid op Jezus. Je mag er trots op zijn als christen naar Christus te heten. Ik sluit af met een citaat van Lenoir:
Het is zijn antwoord op de censuur ingesteld door de discipel Johannes,
die toen nog ‘zoon van de donder heette, maar later ‘apostel van de liefde’.
Lenoir zegt: ‘We slaan de plank mis, zolang we de nadruk blijven leggen op de kloof tussen gelovigen en ongelovigen. Er is geen kloof tussen christenen en niet-christenen, moslims en niet-moslims. De ware kloof ligt tussen mensen,
die de mens respecteren en mensen die dat niet doen. Tussen humanisten en niet-humanisten. Christus was de eerste humanist.’

Een boeiende stelling. Je hoeft het er niet mee eens te zijn. Er is best het een en ander op aan te merken. De stelling daagt in ieder geval uit om er over na te denken, om er over van gedachten te wisselen en om in praktijk te brengen.
Ruimdenkendheid, tolerantie, een overvloedmentaliteit, bondgenoten, de principes van Jezus. De wereld zou er vreedzamer uitzien. Amen.

Geef een reactie