Wat is de onderlinge band in de kerk?

Tekst: Lucas 4: 21-30 en 1 Korinthiërs 12: 4-31a

preek 16 01 31 IIIn de eerste dienst deze zondag vieren we als Protestantse gemeente in de Ambrosiuskerk. Twee gemeenteleden, Frans Grims en Kees de Kramer, zullen bevestigd worden als ouderling-kerkrentmeester van onze Protestantse gemeente. We zijn verheugd als mensen hun gaven benutten voor de kerk van Christus. Die kerk, met Christus aan het hoofd, is gebouwd op al onze verschillende gaven, en zo zijn wij één in verscheidenheid. De tweede lezing gaat daarover.

In de evangelielezing lezen we het vervolg op de lezing van vorige week, waarin Jezus in zijn vaderstad uit Jesaja leest. ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.’ Toe maar. ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’ En vervolgens legt Jezus de spannende vraag neer: voor wie is die vervulling bedoeld? Of voor ons: voor wie zijn wij eigenlijk kerk? Een spannende vraag die de gemoederen in Nazareth flink bezig houdt. Ons ook komende zondag in het tweede deel van een tweeluik als vervolg op het eerste deel dat nog na te lezen is op www.pgwaalwijk.nl/jezusbetrekkenbijjeleven

We vieren vandaag als één Protestantse Gemeente dat twee van onze leden bereid zijn om hun steentje, net als vele anderen, bij te dragen. In hun geval aan het beheer van onze kerkelijke gemeente. Ondanks dat wij als één gemeente nog onderverdeeld zijn in twee wijkgemeenten, doen we al veel samen, en zijn wij één. Waaronder in dat kerkelijke beheer. We zijn als het ware in gemeenschap van goederen getrouwd.

Waarin ligt onze eenheid en waarin onze verschillen?
Die eenheid is niet vanzelfsprekend. Niet zozeer tussen twee wijkgemeenten niet, maar überhaupt binnen onze ene gemeente, zoals in elke gemeente. We verschillen van elkaar. Allemaal. Gelukkig maar, zou je zeggen. Want wie wil zichzelf de hele tijd tegenkomen? Er zijn verschillende gaven, verschillende taken, verschillende uitingen van bijzondere kracht, en daarbij verschillende mensen die al die verschillende gaven uiten. We verschillen daarin van elkaar.

Er is niemand die er niet bij hoort. Paulus vergelijkt de kerkelijke gemeente met een lichaam. En elk deel van het lichaam hoort erbij. ‘Als de voet zou zeggen: “Ik ben geen hand, dus ik hoor niet bij het lichaam,” hoort hij er dan werkelijk niet bij?’ En evenzo het oor dat geen oog is. Je hoort er allemaal bij. Maar niet omdat je allemaal hetzelfde bent. Juist niet. Sterker nog: ‘Als we met elkaar slechts één lichaamsdeel zouden vormen, zou dat dan een lichaam zijn?’ De verscheidenheid is nodig om één lichaam te kunnen zijn. Je hoort er niet bij omdat je allemaal hetzelfde bent. Juist niet. Wel omdat je samen deel uitmaakt van één lichaam.

Alleen samen een lichaam
Dat we samen één lichaam zijn is het enige bestaansrecht van alle afzonderlijke delen. ‘Het is juist zo dat er een groot aantal delen is en dat die met elkaar één lichaam vormen. Het oog kan niet tegen de hand zeggen: “Ik heb je niet nodig,” en het hoofd kan dat evenmin tegen de voeten zeggen. […] God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen.’ Alle delen horen erbij. En de kwetsbaarste delen moeten extra zorgvuldig behandeld worden.

Dat we samen één lichaam zijn is het enige bestaansrecht van de afzonderlijke delen. Je kunt geen lichaam zijn zonder dat samen met alle delen te zijn. Ze horen allemaal bij elkaar. En in dat licháám zit dan dus de eenheid. Niet in de gelijkvormigheid van afzonderlijke delen, niet in ‘ons-kent-ons’. Zelfs niet in het goed zijn in één stukje van het kerk-zijn. We zijn met elkaar kerk, of we zijn het niet. Met oog voor de kwetsbare delen en dat iedereen erbij hoort. En niet op onze eigen manier, maar op onze gezamenlijke manier, met oog en ruimte voor elkaar.

Dat is nogal een opgave voor de mens. En waarom? Dat voelt ieder op zijn eigen manier, zoals ook ieder een afzonderlijk deel uitmaakt van het ene lichaam. En dat vraagt om openheid naar elkaars gevoelens en ervaringen.

Gelukkig zijn wij niet een zelfbenoemd lichaam. Niet een vereniging die we met elkaar gestart zijn of waar we nu een keer lid van zijn. We zijn lichaam van Christus. En dat is meer dan een motto van de club, of een mascotte. Christus heeft ons bij elkaar gebracht. Onze band met elkaar loopt via hem. Wij zijn allemaal ergens geraakt door de woorden van Jezus. Daarom zijn we samen kerk.

Wat is onze band met elkaar?
Natuurlijk is er ook de band met elkaar. Er zijn vele vriendengroepen en tal van relaties door de gemeente heen. Maar dat is niet de basis van de gemeente. Sterker nog: die verschillende verbindingen binnen het ene lichaam kunnen nog wel eens conflicteren en tot partijvorming leiden. En het zicht op het geheel vertroebelen. De basisrelatie met elkaar ligt in de band met Jezus. Niet omdat we het wel of niet goed kunnen vinden met elkaar, maar omdat we een band met Jezus hebben.

Het belang van gebed
Daarom is gebed ook zo belangrijk. Vorige week lazen we het eerste deel van het verhaal uit Lucas, waarin Jezus in zijn vaderstad in de synagoge leest en spreekt. Gebed vergeleken we toen met spreken via de voorzitter. Zoals dat in het parlement gaat. Wat je tegen elkaar wilt zeggen of misschien zelfs tegen elkaar hebt, klinkt anders als je dat via de voorzitter zegt. Via Christus, die het hoofd van het lichaam is. En als je dan in gebed voorlegt wat je bezighoudt, dan hoor je jezelf praten, en dan kun je daar eens over nadenken. Dan blijft het misschien even stil, maar kun je ook op nieuwe gedachten komen. En als je het niet weet, kun je het ook in gebed uit handen geven met als enige woorden ‘ik weet niet hoe ik hiermee om moet gaan, of wat ik moet doen’.  We houden te vaak te veel de dingen bij onszelf die we niet weten. ‘Ik weet het niet’ kan een heel bevrijdend gebed zijn. Juist ook in het ene lichaam van Christus. We hoeven het niet altijd te weten. Gelukkig is de kerk het lichaam van Chrístus.

Onze band loopt via Jezus
Onze band met elkaar als kerk loopt dus via Jezus. Maar wie is hij voor ons? De mensen uit zijn geboortestad Nazareth proberen dat op het spoor te komen. ‘Allen betoonden hem hun bijval en verwonderden zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden.’ Prachtig. Jezus’ woorden lijken wortel te schieten in vruchtbare grond. Maar dan komt er een vraag: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’ Onmiskenbaar een wending in het verhaal. De sfeer lijkt om te slaat. Hoewel de meningen verschillen over wat deze vraag nu eigenlijk betekent: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’ Eén mening is dat het juist laat zien dat men veel van de woorden van Jezus verwachtte. Alsof men zich de geslachtslijn van Jezus herinnert. De koninklijke lijn van Jozef naar David, Abraham, Noach en Adam. Dus de verwantschap met Jozef klinkt in dit geval beloftevol. Men verwacht heel veel van Jezus en de vervulling van de woorden uit de schrift. Een andere mening die je vaker hoort, ook onder invloed van andere versies van dit verhaal in de evangeliën, drukt uit dat men vooral heeft willen zeggen dat het er een van ons is, van Jozef in dit geval. Zoals ze hier in de dorpen zeggen: van wie ben jij d’r één? Zo zeggen ze dat van Jezus ook. En daar zit ook een stukje ‘doe maar normaal dan doe je al gek genoeg’ in. Je blijft je hele leven d’r eentje van d’n dieje.

Als ‘God’ en ‘Jezus’ van ons zijn gebeurt er niets
Hoe het ook zij, of er nu in Jezus’ verwantschap met Jozef theologisch verwezen wordt naar de belofte of sociaal naar zijn afkomst, de overeenkomst is dat hij geannexeerd wordt. Theologisch en sociaal hoort hij bij ‘ons soort mensen’. En dat is de reden waarom de sfeer omslaat. Men denkt Jezus te kennen, maar men kent hem niet wezenlijk. Met de vraag ‘Dat is toch de zoon van Jozef’ zeggen ze eigenlijk: ‘Je hoort bij ons.’ En dat is een dodelijke gedachte, want dan kan hij niets meer. Jezus kan niet meer vrij en creatief, kritisch, bevrijdend en genezend handelen. Want ‘je hoort bij ons’. Zo wordt hij geneutraliseerd.

En dan zie je dat Jezus voorbeelden aanhaalt waar Gods woorden wèl creatief, scheppend en genezend werkten. Bij de weduwe van Sarfat, en de Syriër Naäman, die aan huidvraat leed. Terwijl er zoveel andere weduwen in Israël zelf waren, en zoveel andere mensen die aan huidvraat leden in Israël zelf. De vraag is nu niet waarom Elia en Elisa niets deden in Israël. De vraag is waarom zij niet creatief en genezend kónden werken in Israël. En waarom de woorden van Jezus niets teweeg brengen in zijn eigen vaderstad?

De woorden van Jezus en Gods creatieve en bevrijdende kracht slaan dood wanneer mensen over hun ‘eigen’ God of hun ‘eigen’ Jezus spreken: ‘Hij hoort bij ons.’ En dat doen we gauw. Natuurlijk bidden we, natuurlijk lezen we uit de bijbel. Het is onze God en onze Bijbel over onze Jezus. Elke kritische, maar ook ruimte scheppende, creatieve en bevrijdende werking gaat daarmee verloren. Omdat alles wat we zeggen en doen daarmee uit ons komt, want: God en Jezus horen bij ons. En wij kunnen niet kritisch naar onszelf zijn. Wij kunnen niet scheppen en we kunnen niet bevrijden en genezen. Dat kan alleen God.

Dat wij van Jezus zijn geeft ruimte
Jezus is niet van ons. Wij zijn zíjn lichaam. En dat alleen al is bevrijdend. Het hoeft niet van ons te komen. Door ruimte te geven aan Jezus ontstaat er ruimte voor creativiteit, bevrijding en genezing. Ruimte die wijzelf innemen als wijzelf bepalen wat Jezus wel en niet zou willen. En als we iets niet weten of niet mee om kunnen gaan, dan kunnen we altijd tegen Jezus zeggen in gebed: ‘zo en zo, en ik weet het niet, of ik denk hieraan: wat vind u ervan?’

in de spannende onderneming die kerk is
Dat maakt kerk-zijn een spannende onderneming. Ook omdat we nergens vanuit kunnen gaan, behalve dan dat het het lichaam van Christus is. En dat we daarbij horen. En dat God zijn gemeente de gaven schenkt die het nodig heeft. En ook daarin soms een andere weg gaat dan onze vacaturelijstjes. Maar Jezus Christus hoort niet bij ons. Wij horen bij Jezus Christus. En Jezus Christus went nooit. Dat maakt dat zijn woorden wel eens niet landen: Overal nabij is hij, mens’lijk allerwege/maar geen mens herkent hem, hij wordt gewoon verzwegen/Midden onder u staat hij de gij niet kent. We kennen hem niet en we zullen hem nooit volledig kennen, want hij is niet een van ons.

Gelukkig maar. Dan valt er tenminste echt iets van hem te verwachten. Niet het waarmaken van onze verwachtingen, maar de vervulling van Gods beloften. Niet op onze manier, maar op zijn manier. En dat mag vooral rust geven. We hoeven het zelf niet te weten en te bedenken. We hoeven ook niet overal mee om te kunnen gaan en met iedereen. Zo lang we het maar uit handen leren geven aan God. En na al onze inspanningen op een dag leren bidden met paus Johannes de 23e: ‘Heer het is uw kerk – en nu ga ik slapen.’

Geef een reactie