Hoe kunnen we leven met de dood? Preek Palmpasen 20-03-2016

Tekst: Lucas 19: 29-40

Er zijn van die weken, dan overvalt je het ene na het andere bericht van het overlijden van iemand. Het hoort bij het leven, zeggen we dan een beetje gelaten, maar toch. Het gaat tegen ons levensgevoel in. Het maakt niet voor niets verdrietig. En het ontmoedigt. Het is niet makkelijk om dan weer door te gaan. Het voelt op zijn minst allemaal erg dubbel als het leven toch gewoon blijkt door te gaan. En dan ga je er maar weer in mee. De een kan dat makkelijker dan de ander. Hoe dan ook voelt het dubbel. En meer dan twee kanten van dezelfde medaille. Het zijn eerder twee polen van een magneet. Die elkaar in dit geval niet aantrekken, maar afstoten.

Jezus’ reis naar Jeruzalem lijkt ook steeds meer een reis te worden van afstoten dan van aantrekken. Voor een aantal mensen is hij erg aantrekkelijk door de woorden die hij spreekt en de wonderen die hij doet. Maar het verzet groeit. En Lucas vertelt dat op een bijzondere wijze. Als je een bijbel bij je hebt waarin je mee kunt lezen, dan zie je weer welke verhalen om het stukje heen staan, dat wij uit het Evangelie naar Lucas gelezen hebben. En dat is ook nodig, want ons stukje over de intocht in Jeruzalem wordt voorafgegaan door de zin: ‘Na deze woorden trok Jezus verder, op weg naar Jeruzalem’. Vraag is dan natuurlijk: welke woorden? En wat hebben die te maken met dat Jezus zijn reis naar Jeruzalem vervolgt? In de bijbel is nooit niet voor niets. Dus ook dit verband niet: ‘Na deze woorden trok Jezus verder, op weg naar Jeruzalem.’

Welke woorden van Jezus gingen aan het verhaal vooraf?

Deze woorden vormden de gelijkenis van de koning en de drachmen.
‘Aan de mensen die stonden te luisteren, vertelde Jezus nog een gelijkenis, aangezien hij nu dichtbij Jeruzalem was en zij dachten dat het koninkrijk van God nu spoedig zou aanbreken.’ Hij zei: ‘Een man van voorname afkomst ging op reis naar een ver land om het koningschap in ontvangst te nemen en dan terug te keren. Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen honderd drachme en zei tegen hen: “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.” In het kort loopt het zo af dat de ene dienaar het goed belegt en er veel mee verdient, een ander iets minder, en een derde het vertikt om er iets mee te doen, en het zelfs niet op de bank zet om dan minimaal de rente te kunnen teruggeven. Interessant, maar voor nu is iets anders nog interessanter.

Er ontstaat tweespalt

Als de voorname man namelijk op reis gaat, vertelt het verhaal: ‘Maar zijn landgenoten haatten hem en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: “We willen niet dat die man koning over ons wordt.” We hebben dus twee groepen in dit verhaal: de dienaren van de aanstaande koning, en de tegenstanders, die hem haten. Dat nemen we mee naar het verhaal van de intocht van Jeruzalem, waar hij ‘na deze woorden’ naartoe gaat. Kennelijk staat deze intocht in het teken ervan dat Jezus zijn koningschap in ontvangst wil nemen. En dat dit tweespalt zal veroorzaken.

De leerlingen vs. de Farizeeën

En we zien dat terug in het verhaal. Opvallend is dat in Lucas’ versie van het verhaal niet de algemene menigte Jezus toejuicht, zoals bij Mattheüs, maar de leerlingen. Net als de dienaren van de koning in de gelijkenis aan de kant van de koning staan, treffen we hier de leerlingen aan Jezus’ kant. Zij werpen hun mantels over de ezel en lieten Jezus erop zitten. En ze spreiden hun mantels over de grond voor de voeten van de ezel uit. En als ze dan Jezus toejuichen roepen ze: ‘Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer!’ Hé, dat is opvallend: bij Lucas zeggen de leerlingen: ‘Gezegend hij die komt als koning’. Voel je wat hier gebeurt? Jezus gaat hier zijn koningschap tegemoet. Zo vertelt Lucas het verhaal.

En op die weg vindt Jezus tegenstand, net als de aanstaande koning uit de gelijkenis, wiens landgenoten hem haten. Hier zijn het de Farizeeën. Zij zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw leerlingen.’ Dit verzet is verzet tegen Jezus’ koningschap. Maar voordat we dat verzet kunnen begrijpen, moeten we ons eerst afvragen wat dat koningschap is.

Hoe ziet dat koningschap van Jezus eruit?

We moeten het niet zo simpel maken dat Jezus eigenlijk een soort verzetsbeweging op gang wil brengen tegen de Romeinse bezetter en zijn vazalkoning Herodes. Had hij het koningschap over Israël willen opeisen, dan had hij naar Rome moeten gaan, zoals Herodes had gedaan. Maar hij gaat naar Jeruzalem. Dat is niet de stad van de macht, maar de stad van het hart van de Joodse godsdienst. We zien in het vervolg ook dat hij zich daarop richt. En op de tempel in het bijzonder. Hij beweent Jeruzalem, omdat geen steen op de andere zal blijven staan, omdat, zo zegt hij, ‘je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’ En vervolgens jaagt hij de handelaars uit de tempel en schreeuwt ze na: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn”, maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.’

Op weg naar Jeruzalem, vlak voor Pasen; wat heeft dat te betekenen?

En dat alles vlak voor Pasen, het belangrijkste feest van de Joden. Een enorm contrast met de praktijk van hen, die Jezus niet kunnen gebruiken als koning. Wat een contrast allereerst met de intocht die kort daarvoor Pilatus zal hebben gehad in Jeruzalem. Als opzichter op het gebied van rechtspraak, bestuur en financiën, had hij nooit permanent zitting in zo’n provinciestad als Jeruzalem. Maar hij kwam er wel voor de grote feesten, als de kans op een opstand het grootst was. Zo’n intocht werd gevormd door een heel aantal soldaten. En je kunt je voorstellen dat de man niet erg geliefd was. En hier komt Jezus ook zijn intocht houden. Wat een verschil.

De tempelhandelaren bovendien, die gebruik maakten van de vele wisselkoersen en daar goed aan verdienden, inden hun tempelbelastingen ook vlak voor de Pasen. En verdienden dus dik aan de provisie. Een scherp contrast met de dienaar van de koning die het goed belegt om veel terug te kunnen geven aan de koning in de gelijkenis.

Zo zien we in dit verhaal twee duidelijke polen, die elkaar niet aantrekken maar afstoten. En Lucas onderscheidt ze heel duidelijk. De leerlingen tegenover de Farizeeën. Hier geen ‘Heden Hosanna, morgen kruisigt Hem’, omdat het niet dezelfde menigte is die de ene dag het ene roept en de andere dag het andere. Die tweespalt zit in de weg die Jezus gaat. Naar zijn koningschap. Dat koningschap is niet een weg naar de macht, maar een weg tegen alles in dat in de wereld belangrijk gevonden wordt. Ons eigen leven, ons eigen hebben en pakken wat je pakken kan. Onze eigen weg, die eindigt met de dood.

Jezus is niet te stoppen; hij zal zijn koningschap in ontvangst nemen

Jezus wil niet leven met die tegenstelling tussen het leven en de dood. Hij wil zich daar niet bij neerleggen. En hij laat zich niet ontmoedigen. De enige manier om ze met elkaar te verzoenen is om door de dood heen te gaan om opnieuw te leven. Dát is zijn koningschap. Zoals Lucas dat in het vervolg op zijn evangelie in Handelingen schrijft, als Jezus ten hemel vaart en daar als koning komt te zitten aan de rechterhand van God. Het zijn oude en bombastische beelden, die ook rijk geïllustreerd zijn in de kunst. Maar kern ervan is, dat Jezus het niet wil laten bij de tegenstelling tussen het leven en de dood.

En dat is een beweging die niet te stoppen is. Zoals de aanstaande koning in de gelijkenis toch koning wordt, ondanks dat zijn landgenoten hem haten. Zo wordt Jezus ook koning over het leven, hoe groot het verzet ook is. Zelfs als hij zijn leerlingen zou berispen, dan zouden nog de stenen het uitschreeuwen. Jezus’ beweging is niet te stoppen. Hij zal door de dood, hoe verschrikkelijk die ook is, nieuw leven vinden en verkrijgen voor ons. Ja, het leven gaat door. Maar niet als ontkenning van de dood, maar als doorleving van de dood. Jezus vindt nieuw leven. Voor ons, die niet over de dood heen kunnen kijken. Ook omdat wij zo vaak blijven hangen in het hier en nu. In het eten of gegeten worden, bedriegen of bedrogen worden. Terwijl er zoveel meer is. Het leven houdt niet op bij waar het stopt. En de doop is daarvan het symbool. Hoe doods ons leven soms ook lijkt en is. Door het water van de dood vinden we nieuw leven. Als je in je leven verzuipt, weet dan: God trekt je eruit. Je bent zijn kind.

Kunnen we dan feestvieren? Ja. Als wij het niet doen, dan schreeuwen de stenen het wel uit. Want Jezus is koning. Hij geeft ons nieuw leven. Want wij zijn allemaal kinderen van de Vader. Goddank. ‘Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’

Geef een reactie