HOE DICHTBIJ KOMT GOD WEL NIET?

Bij de voorbereiding van de doopdienst gaven de doopouders aan wat de doop voor hen betekende. Kort en krachtig zei een ouder: ‘Ons kind bevindt zich in de hand van God.’ Het gaf de aanzet tot het thema: ‘In Gods hand’.

Psalm 139 geeft woorden aan het thema. De psalm gaat over de Here God, die ons doorgrondt en ons vasthoudt, waar we ook in het leven terecht komen. De preek gaat over de alomtegenwoordigheid en alwetendheid van de Schepper, zoals dat in de collegebanken heet. Liever hebben we het zondag over zijn nabijheid. Dat Hij niet ver van ieder van ons is, geeft een gevoel van vertrouwen en geborgenheid.

Een God die alles weet, zelfs onze pincode, kan schrik aanjagen. In Psalm 139 kom je hem gelukkig niet tegen als Big Brother, die iedereen in de gaten houdt en wil controleren. Wie dan wel? En hoe is Hij ons nabij?

Psalm 139 : 1 – 12

‘Heer, U bent voor mij en achter mij, u bent om mij heen. Uw hand houdt me vast.’

Psalm 139 : 5

Waken
Vrijwilligers uit Raamsdonksveer en ik zouden meewerken aan de kerkdienst in de Koepelgevangenis van Breda. Op weg naar de kapel staken we de binnenplaats van het huis van bewaring over. Het voelde niet prettig. Alsof je bekeken werd. Wat ook zo was! De gevangenis bestond uit een hoge koepeltoren, met daar rond ringen van cellen met twee ramen. Eén gevangenisbewaarder hoog in de toren volstond om alle gevangenen in de gaten te houden. ‘Je was in een panopticum,’ vertelde mijn zoon, die bouwkunde studeerde, over de bijzondere architectuur van deze gevangenis.
Panopticum is Latijn voor ‘alziend’. Het is een bouwwerk bedacht om groepen mensen tussen de muren te controleren, te bewaken, te bestuderen, te beheersen. Ook scholen en werkplaatsen zijn vroeger in die vorm gegoten. Vanaf één hoger gelegen punt is iedereen in de gaten te houden.
In zijn beklemmende boek ‘1984’ beschrijft George Orwell de wereld van de toekomst als een panopticum met Big Brother die de bewoners onder alle levensomstandigheden observeert en wil beheersen. Big Brother is watching you! Google is watching you! ‘Heer, U ziet alles wat ik doe,’ staat er in Psam 139. ‘U weet alles van mij. U kent mij. U weet waar ik ben en waar ik heen ga.’
Is onze wereld ook geschapen als een panopticum en observeert onze Schepper vanuit de hemel ons doen en laten, tot achter de laapkamergordijnen toe? Onze Schepper bewaakt ons niet, hij waakt over ons en onze kinderen!

Het alziend oog
De kaart van Big Brother, het controlerende, alziende oog, heeft de kerk in het verleden nogal eens uitgespeeld. Helaas! Bezoek de St. Jan in Den Bosch!
Ga bij het altaar staan en kijk omhoog de in koepeltoren erboven. Je ziet: één amandelvormig oog, zwart bewimperd, met daarboven een donkere, smalle, geëpileerde wenkbrauw. Alles omringd door een wat blanke, rimpelloze gezichtshuid. Het alziend oog van God! Het oog bevindt zich in een driehoek, waaruit goudgele zonnestralen priemen. Tegen de donkere, hemelsblauwe achtergrond lijken ze ook werkelijk licht te geven. Er is een tijd geweest, dat het alziend oog de opkijkende gelovige de rillingen moest bezorgen.
Het moest hen op het hart binden, dat God op hen overal zag en naarstig op zoek was naar onze zonden. Als röntgenstralen zou hij dwars door zijn schepselen heen kijken. Weet had hij van onze heimelijke zonden, zoals seksueel getinte fantasieën. Niet alleen in de kerk ook in heel wat kroegen hing toentertijd een afbeelding van het alziend oog met de tekst: ‘God ziet u!’
Een waarschuwing om niet te diep in het glaasje te kijken. God, een dienstklopper, die onafgebroken speurt naar overtredingen? Er zijn kerkgangers die afgeknapt zijn op een geloof, dat God als een jachthond achter hen aanstuurde. Ik kan er kort over zijn: zo is de God van de Bijbel niet.
Een heel andere kijk geeft psalm 139. God is een God van nabijheid. Hij wil ons vasthouden. Het is niet te geloven, schrijft de dichter van Psalm 139, dat God
niet ver bij ons vandaan is, onze hand op de een of andere manier hem vast houdt en ons door het leven gidst. De God van de Bijbel is geen politieagent, maar een Herder, die oog heeft voor zijn schapen. Psalm 23.

Overal
Mijn zoon heeft een dollarbiljet als souvenir van zijn vakantie in New York meegenomen. Voorop het 1 dollarbiljet George Washington. Achterop -ik wist het niet- een piramide met in de driehoekige top het alziende oog van God. Gevoelig voor complottheorieën zagen Amerikanen er een teken in van een geheim genootschap, de Illuminati, die de wereldheerschappij zou nastreven. Deze complottheorie nam zo’n hoge vlucht, dat de Amerikaanse overheid in 1996 met een officiële verklaring kwam in een poging de fantasie te beteugelen. Boven het alziend oog staat in het Latijn geschreven Annuit Cœptis. Het betekent vrij vertaald: ‘God is ons gunstig gezind.’ Of te wel: Hij is ons genadig in wat wij ondernemen. Het optimistische vertrouwen in de goedheid en leiding van God op het dollarbiljet sluit aan bij Psalm 139.
God is geen bovenmenselijke God, te verheven om zich met ons te bemoeien.
Hij is geen verre, vreemde God, die op afstand blijft. Hij komt naar ons toe en handelt met ons vanuit zijn liefde. Hij beweegt zich voortdurend richting aarde. Dat God met ons is, daarvan leverde de komst van Jezus Christus het onomstotelijke bewijs. Aan het kruis neemt hij zelfs onze pijn en ons falen op zich. Zo close werd Hij. Dat God mij nadert is geen aanleiding tot angst en schrik, maar biedt troost en geborgenheid, vooral aan mensen in de knel, die zich afvragen, hoe ver de arm van God zich eigenlijk strekt. God houdt ons vast, zelfs tot in de sjeool, het dodenrijk, gelooft de Joodse psalmdichter.
‘Ik kan wel afdalen naar het land van de dood, maar daar bent u ook,’ schrijft hij. Komt een ruimtevaarder zijn ruimteschip niet in een baan om de aarde zoals bedoeld, dan raakt hij de band met de veilige aarde kwijt. De navelstreng wordt doorgeknipt. Hij drijft weg de lege ruimte in, de eindeloosheid tegemoet
waar uren en jaren niet meer tellen. ‘Ook daar zal uw hand mij leiden, ook daar houdt uw hand mij vast,’ staat er in Psalm 139. We geloven in een God, die ons doorgrondt en ons vasthoudt, waar wij of onze kinderen ook in het leven terecht komen.

Niet ver van mij
Een gemeentelid had zich verdiept in nieuwe vormen van spiritualiteit. Nieuwsgierig vroeg ik haar ‘Waar is God volgens jou?’ ‘Hier!’ Ze wees naar haar hart. ‘Een God die vanuit de hoge hemel de mensheid observeert, raakt mij niet. Die vind ik te ver weg. Ik heb hem bij mij. Voor mijn gevoel zit God in mij.
Dichtbij.’ God in ons, daar kan ik wel wat mee. Namelijk de Geest van God, ook wel de heilige Geest genoemd, de wijze waarop God volgens de Bijbel denkt en doet, kan in ons hart, hoofd en handen zitten, tot in de haarvaten van ons bestaan toe. Zijn liefde heeft dan bezit van ons genomen. We denken en handelen in zijn Geest. Wij net als Hij. Was dat niet het geval bij Moeder Theresa, Maarten Luther King en is dat niet het geval bij Desmond Tutu?
Als je bij zulke personen in de buurt komt, heb je dan niet het gevoel dat God wel heel dichtbij moet zijn. Om van Jezus Christus maar te zwijgen. Zijn naam is dan ook Immanuël, God met ons. En vergeet de ouders die laten dopen niet.
Zij willen God en zijn liefde zo dicht mogelijk bij hun kind zien te brengen door hun woorden en daden.

Door het oog van God
Woorden en daden die God dichtbij brengen… Hoe ziet dat eruit? Dan moet je door het oog van God naar de wereld kijken, zou ik zeggen. Ik ken een mooi verhaal hierover. De St. Jan werd gerestaureerd en de schrijver Bertus Aafjes mocht als kind via de trap in één van de vier kleinere torens langs de koepel de koepeltoren beklimmen. Hij wilde perse se naar het alziend oog. Vanaf de vliering moest hij kruipend over een zware dwarsbalk er naar toe. Behoedzaam schuifelt hij naar het enorme stuk papier, waarop aan de voorkant het oog van God is geschilderd. Tot zijn grote verbazing ontdekt Bertus Aafjes een rond gaatje midden in het papier. Een openingetje van een diameter of 4 centimeter. Hij gluurt door het gaatje midden in het oog van God naar beneden. De stoelen en banken zijn punten en streepjes geworden. De mensen in het middenschip mieren. Het verhaal staat in de bundel ‘De wereld is een wonder’. Het eindigt zo: ‘Haastig kruip ik terug. En opgelucht daal ik langs de vele kinkhoorns vol tochtgaten naar de begane grond, niet zonder trots denkend, hoe ik later mijn kinderen in de Sint-Jan het oog zal wijzen met de woorden: ‘Daar keek ik doorheen…’’ De christelijke opvoeding laat kinderen door het oog van God de wereld inkijken, figuurlijk gesproken. Naar zichzelf.
Naar hun naaste. Later naar hun eigen kinderen later. Naar hun vrienden en vijanden. Het is de bedoeling dat zij, trouwens ook wij, ons inleven, in onze Schepper en Redder. Beeld je in hoe hij is, en sta zo dezelfde manier in het leven. Wie God is? Hij kent ons. Hij is met ons vertrouwd. Je kunt met hem praten. Hij heeft aan een half woord genoeg. Hij kent je schuilhoeken. Niets ontgaat hem. Ook dat kleine gebaar niet. Hij aanvaardt ons. Hij laat ons niet in de steek. Hij is goed voor ons mensen. Zeker als er zaken ons moeilijk vallen, staat hij voor ons klaar. Je kunt bij hem terecht. Op verrassende manier geeft hij kracht en laat hij oplossingen zien. Hij biedt zijn hulp aan. Zijn leiding.
Hij is er voor je. Je bent veilig in zijn hand. Zo God, zo zijn kinderen. Bewaak elkaar niet, maar waak over elkaar! Amen.

Geef een reactie