DE VOORGANGER HEET NIET PRIESTER MAAR PREDIKANT
zondag 1 november 2015 avondmaal

Vorige week hebben mijn vrouw en ik de mooiste kerken van Milaan bezocht.
Het centrale voorwerp in deze katholieke kerken is het altaar. In enkele kerken vestigt een altaarbaldakijn (ciborum) nog eens extra de aandacht op het altaar, waarop tijdens de eucharistieviering geofferd wordt. De priester heet dan ook niet voor niets ‘priester’. Gisteren was het Hervormingsdag en het protestantisme heeft het altaar vervangen door een tafel. De voorganger heet in de protestantse kerken ook geen priester meer, maar een predikant. Wat zijn de achtergronden? Het thema van de preek ‘Verzoening’.

Altaar uit de Ambrosiuskerk te Milaan

Altaar uit de Ambrosiuskerk te Milaan

Lezing: Hebreeën 7 : 23 – 28
Zij volgden elkaar generaties lang op, omdat de dood hun belette priester te blijven, 24 terwijl hij priester zonder opvolger is, omdat hij tot in eeuwigheid blijft. 25 Zo kan hij ieder die door hem tot God komt volkomen redden, omdat hij voor altijd leeft en zo voor hen kan pleiten. 26 Een hogepriester als hij hadden we ook nodig, iemand die heilig, schuldeloos en zuiver is, van de zondaars afgescheiden en ver boven de hemel verheven. 27 Hij hoeft niet, zoals de andere hogepriesters, elke dag eerst offers op te dragen voor zijn eigen zonden en dan voor die van het volk; dat heeft hij immers voor eens en altijd gedaan toen hij het offer van zijn leven bracht. 28 De wet stelt mensen aan als hogepriester, en mensen zijn behept met zwakheid, maar met de bekrachtiging onder ede die later werd uitgesproken dan de wet, is de Zoon aangesteld, die voor altijd de volmaaktheid heeft bereikt.

Hebreeën7v27dienst

Jezus de Hogepriester
Op de vraag ‘Aan welke mediafiguur doet Jezus u denken?’ gaven de meeste deelnemers aan de enquête ‘Jezus in Nederland’ in november 2014 als antwoord: ‘Aan de dalai lama en aan Nelson Mandela.’ Deze heilige mannen van de twintigste eeuw hebben duidelijke overeenkomsten: een kalme uitstraling, geweldloos, zij probeerden conflicten op te lossen en partijen te verzoenen, zij kwamen op voor onderdrukte groepen en brachten persoonlijke offers voor hun missie. Verzoening en opoffering zijn inderdaad typerend voor de persoon van Jezus. Hij stierf aan het kruis op Golgotha als degene ‘die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld,’ schrijft Johannes dankbaar en ruimhartig in zijn eerste brief. Aan welke figuur doet Jezus u het meest denken? Wij antwoorden: ‘Hij doet ons denken aan de dalai lama of aan Nelson Mandela, Maarten Luther King of paus Franciscus. Zouden we aan de Joodse schrijver van de Hebreeënbrief hetzelfde vragen, dan zou hij antwoorden: ‘Aan de hogepriester uit het Oude Testament.’ In theologentaal: de hogepriester van Israël vindt zijn vervulling in Jezus Christus.

Overgave
In het Jodendom van voor de ballingschap speelde de offerdienst in de tempel een cruciale rol. Priesters brachten aan de lopende band offers als een middel
om de relatie tussen God en zijn volk in stand te houden of bij een breuk te herstellen. Priesters waren bruggenbouwers tussen hemel en aarde, een heilige rol, die mooi tot uitdrukking komt in de Latijnse benaming voor priester: ‘pontifex’, ‘bruggenmaker.’ De voornaamste bruggenbouwer tussen God en mensen was in Israël de hogepriester, die zich in kleding, toewijding takenpakket en autoriteit onderscheidde van de gewone priesters. Ondermeer was hij belast met het brengen van het zondoffer voor zijn eigen zonden en voor die van het volk. De gedachte achter het zondoffer was deze: een zonde verbreekt de relatie met een God, die het kwaad ondubbelzinnig afwijst. De zondaar die niet op voet van oorlog met de hemel wil blijven leven, kan door middel van een zondoffer een hartstochtelijk beroep doen op de genade van God. Centraal bij het zondoffer staat het bloed van het offerdier, bijvoorbeeld een kalf. De hogepriester sprenkelde het bloed van het geslachte offerdier op het altaar en wreef het rood ook nog eens aan de vier hoeken. In de beleving van Israël was het bloed de drager van het leven, van de ‘nefesj’, van de ziel. In het bloed, klopte volgens Israël het leven, waarvan overigens de Jehova’s Getuigen, die bloedtransfusie weigeren, nog altijd overtuigd zijn.
Het offeren van het bloed in de tempel te Jeruzalem was een symbolische handeling. Het symboliseerde de totale overgave van de berouwvolle zondaar aan de genade van God. Hij gaf bloed, zijn leven over in handen van God.
‘Heer, wend U tot mij en wees mij genadig,’ staat er in Psalm 25. ‘Vergeef mij!’

Vergoten bloed
De Hebreeënbrief ziet in Jezus de volmaakte hogepriester, die niet het bloed van dieren, maar zijn eigen bloed vergoten heeft. ‘Hij bracht het offer van zijn leven,’ staat er in Hebreeën 7. Wil God dat bloed zien? Nee! Wie God als een God ziet, die vooral in woede ontsteekt over mensen die zondigen en voor het bedreven kwaad wraak op de zondaar wil nemen -‘De hel in, jij!’ – zet zichzelf op het verkeerde been. Die denkt bij de kruisdood: De woed van God over de zonde zakt alleen maar bij voldoende pijn, lijden of zelfs de dood van een dieren of een mens. Alleen de vernietiging van Jezus zou verzoenende gedachten bij een wraakzuchtige God oproepen. Wie zo gelooft, gelooft heidens. De angst voor God is de vader van die gedachte. Jezus leerde ons God kennen als een liefdevolle Vader, die niets liever wil dan het leven van mensen, inderdaad van mensen die soms behoorlijk over de schreef gaan. De God die Jezus ons openbaarde schept absoluut geen genoegen in onze pijn of dood.
Hij is een genadige God. Hij is uit op ons leven. Als Jezus zijn leven offert betekent dat in de Bijbelse betekenis van het woord, dat hij zich met lichaam en geest, met hart en ziel, totaal, overgeeft aan een liefdevolle en genadige God. Hij vertrouwt zich in leven en sterven toe aan een God, die wil helen en redden. ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest!’ God blijkt drie dagen later inderdaad een God van het leven, en niet van doden. Pasen!

Een Tafel
In iedere katholieke kerk staat nog altijd een altaar, waarop het brood, de hostie, gebroken wordt en de wijn vergoten. De eucharistieviering zet het kruislijden en sterven van Jezus voor het voetlicht als een offer. De priester heet niet voor niets een ‘priester’. Gisteren was het 31 oktober, Hervormingsdag. De Protestantse traditie heeft het altaar vervangen door een tafel en de voorganger luistert naar de naam predikant. Hij of zij legt in een preek de Schriften uit. Dat het lichaam en het bloed van Christus concreet in brood en wijn aanwezig zouden zijn en dat het offer van Christus tijdens elke eucharistieviering telkens opnieuw herhaald zou worden, was een overtuiging die voor de Hervormers Luther, Calvijn en Zwingli een brug te ver was. ‘Hij heeft eens en voor altijd het offer van zijn leven gebracht,’ staat er in de Hebreeënbrief tegen dit offerrealisme. Vandaar een tafel. Inmiddels zijn Rome en Geneve op dit punt elkaar dichter dan ooit genaderd. Wat beiden onderschrijven is de gedachte, dat het verbroken brood en de vergoten wijn de totale overgave van Jezus voor ogen stelt. Hij ging tot het uiterste. Daarbij licht deze bijzonderheid op: de relatie tussen Jezus en zijn Vader behoefde geen verzoening. Die was nooit verbroken. Het was niet nodig dat Jezus zoals de hogepriester uit het OT voor zichzelf een offer zou moeten brengen. Het offer van deze Rechtvaardige kwam helemaal ten goede aan de ander,die zijn relatie met God in stand wil houden of herstellen. Aan ons. ‘Hij gaf zijn leven als verzoening voor onze zonden en voor die der gehele wereld,’
verwoorde Johannes in zijn eerste brief het mysterie van het avondmaal.

Geef een reactie